Vak: Stage: 5 maanden credits: 30
- Vakcode
- SJVB23STG1
- Naam
- Stage: 5 maanden
- Studiejaar
- 2026-2027
- ECTS credits
- 30
- Taal
- Nederlands
- Coördinator
- C.E. Hoogenberg
- Werkvormen
-
- Stage, werk
- Toetsen
-
- Stage: 5 maanden - Overige toetsing
Leeruitkomsten
De startbekwame SJD’er werkt zelfstandig vanuit diens eigen organisatie en beroepsrol, samen met anderen rondom een complex sociaaljuridisch vraagstuk van een cliënt of cliëntengroep.
De startbekwame SJD’er houdt daarbij rekening met relevante juridische kaders, bewezen effectieve interventies in samenwerken, de grenzen van de eigen expertise en de verschillende waarden en belangen die spelen.
Begeleiden (niveau 3)
De startbekwame SJD’er begeleidt zelfstandig een cliënt in de context van een complex sociaaljuridisch praktijkvraagstuk.
De startbekwame SJD’er maakt bij de begeleiding gebruik van effectieve gesprekstechnieken en andere interventies en houdt daarbij rekening met de verschillende waarden, belangen en behoeften die spelen.
Professioneel waardebewust handelen (niveau 3)
De startbekwame SJD’er handelt op basis van zelfsturing, -kennis en -inzicht en vanuit een moreel kompas en houdt daarbij rekening met waarden van zichzelf, de cliënt, de organisatie en de maatschappij.
De startbekwame SJD’er voert de regie over de eigen professionele en persoonlijke ontwikkeling vanuit een visie op diens beroep en de eigen rol daarin. De startbekwame SJD’er handelt daarbij kritisch en integer en toont moed om op te treden in complexe situaties.
De startbekwame SJD’er werkt blijvend aan de ontwikkeling van de eigen deskundigheid en reflecteert methodisch zowel tijdens als achteraf op het eigen handelen.
Inhoud
Tijdens de stage verricht de student sociaaljuridische werkzaamheden in een organisatie die door de opleiding als stageorganisatie is erkend. Daarbij heeft de stagiair opleidingsverplichtingen in de vorm van contactmomenten en schriftelijke opdrachten.
Algemene doelen van de stage zijn:
• kennismaken en vertrouwd raken met de praktijk van het beroep;
• bekend zijn met relevante netwerkorganisaties;
• het leveren van een, voor de stageorganisatie, productieve prestatie;
• leren reflecteren op het eigen functioneren;
• ontwikkelen van het probleemoplossend vermogen;
• toetsen van de theorie aan de praktijk; en
• vormgeven van een eigen beroepshouding.
Aan het einde van de stageperiode beschikt de student over praktijkervaring in een voor het beroep relevante setting. De student heeft zich verder kunnen ontwikkelen tot een beginnend beroepsbeoefenaar. Om dit te kunnen, beschikt de student als SJD’er over een aantal competenties: een geheel van bekwaamheden dat de student in staat stelt gedrag te ontwikkelen, dat past bij de context van het individu en de organisatie. Het gaat hierbij steeds om een integratie van kennis, kunde en persoonlijke kwaliteiten.
Om gestructureerd en resultaatgericht met het realiseren van de beroeps- en gedragscompetenties bezig te zijn maakt de student een aantal beroepsproducten. Aan het begin van de stage maakt de student een introductiedocument waarin de kennismaking met de organisatie wordt beschreven en het stagewerkplan centraal staat, daarin worden aan de hand van de competenties verschillende leerdoelen geformuleerd, die uiting vinden in een of meerdere beroepsproducten per competentie en worden uitgewerkt in een plan van aanpak. Gedurende de stage bespreekt de stagiair de ontwikkelingen door middel van voortgangsrapportages, met minimaal 1 tussenevaluatie op locatie. Aan het einde van de stage levert de stagiair een document aan met daarin de beroepsproducten en daarbij een reflectie hoe de stagiair daar is gekomen en deze heeft ontwikkeld. In dit document zitten verschillende opdrachten en beroepsproducten voorzien van feedback om zo de voortgang en de positie van de stagiair met betrekking tot de compenties te duiden en beoordelen.
Op drie momenten bespreken de stagiair, de praktijkbegeleider en de stagedocent dit proces op de stagelocatie: rond de 4e, 10e en 20e stageweek.
Om voor de credits voor de stage in aanmerking te komen, moet de student op twee hoofdpunten laten zien dat hij competent is.
- Het eerste onderdeel is zijn gedrag en functioneren op de werkplek dat zich laat beoordelen door de gedragscompetenties, die inzichtelijk worden gemaakt middels de hierboven genoemde producten.
- Het tweede onderdeel is zijn competentie in het behalen van Hbo-niveau 3 op drie beroepscompetenties. Van de acht beroepscompetenties komen er drie aan bod tijdens de stage. De student moet kunnen aantonen dat hij deze beroepscompetenties op niveau drie beheerst. Dit maakt hij inzichtelijk door middel van een aantal stageopdrachten (beschreven in de studiehandleiding).
Na afloop van de stage vindt er een eindgesprek plaats tussen de student, de praktijkbegeleider en de stagedocent op de stagelocatie.
Opgenomen in opleiding(en)
School(s)
- Business & Recht